Wat houdt logopedie in
Het vak logopedie is heel breed en veelzijdig. Kort samengevat houdt een logopedist zich bezig met de communicatie en voeding. Alle problemen die hiermee te maken hebben, kunnen dus behandeld worden door een logopedist. Dit is absoluut leeftijd onafhankelijk (van baby tot hoogbejaard).De te behandelen stoornissen zijn in de volgende catagorieen onder te verdelen:
- SPRAAK
- TAAL
- STEM
- HYPERVENTILATIE
- GEHOOR
- AFWIJKEND MONDGEDRAG
- VOEDINGSPROBLEMEN/ PRÉVERBALE LOGOPEDIE
SPRAAK
De spraakontwikkeling begint al direct na de geboorte. Het huilen, maken van geluiden en drinken van de melk, stimuleert de spraakorganen en daardoor de ontdekking en ontwikkeling van het spreken. De spraakontwikkeling is een uiterst ingewikkeld proces. Aan de ene kant moet het kind volledige controle krijgen over de tong, lippen, kaken en gehemeltespieren. Aan de andere kant moet het kind verschillen in klanken kunnen waarnemen en kunnen onderscheiden. Als deze processen normaal verlopen, leert het kind losse klanken te maken en deze vervolgens op de goede plaats in woorden te zetten. Niet alle klanken zijn even makkelijk te vormen. Combinaties van klanken leveren uiteraard nog meer problemen op. Dus wanneer een kind in staat is alle (losse) klanken te vormen, betekent dit nog niet dat ze deze klanken ook goed in woorden gebruiken. Het inzicht daarin moet nog groeien. Daarom worden klanken vaak nog weggelaten of vervangen door andere klanken. Pas wanneer een kind 6 jaar is mag verwacht worden dat het alle klanken in woorden kan vormen.
Een spraak(ontwikkelings)stoornis betekent dat het kind klanken of klankverbindingen niet of verkeerd uitspreekt. We kunnen speken van een articulatiestoornis (op klankniveau), stotteren, neusspraak of binnensmonds spreken.
Stotteren is een onderbreking in de vloeiendheid van het spreken. Dit kan zich uiten in het herhalen van klanken, lettergrepen en woorden of in het verlengen van klanken. Soms zijn ook lichamelijke spanningen waar te nemen. Sommige mensen hebben “aanleg” om te gaan stotteren (of niet). Deze aanleg is erfelijk of aangeboren. Aanleg voor stotteren betekent dat de timing van spraakbewegingen niet in orde is. Wanneer we spreken moeten er veel processen tegelijkertijd draaien, denk aan het ademen, aansturen van de mond en de stembanden, een idee hebben, de juiste woorden zoeken en goede zinnen vormen. Bij de timing van al deze processen moeten de betrokken spieren de juiste bewegingen maken, met de juiste kracht en op exact het juiste moment. Bij stotteraars blijkt dit goed op elkaar afstemmen van de bewegingen problemen op te leveren. Daardoor worden de woorden herhaald of verlengd. Dit kan met en zonder spanning gepaard gaan. Hoe meer iemand probeert niet te stotteren, des te meer zal hij gaan stotteren. Een goede begeleiding is daarom belangrijk.
We spreken van open neusspraak wanneer er te veel lucht door de neus komt tijdens het spreken. Meestal wordt dit veroorzaakt door te zwakke mondspieren, met name de gehemelte spieren. Dit komt regelmatig voor bij kinderen nadat de amandelen verwijdert zijn. Ook bij “schisis-patiënten” (gehemelte spleet of hazelip) komt deze vorm van neusspraak voor.
We spreken van gesloten neusspraak wanneer het spreken te weinig door de neus klinkt. Bij de klanken [m, n, ng] moet het geluid door de neus stromen. Deze spraakstoornis kun je vergelijken met het spreken wanneer je heel erg neusverkouden bent. De oorzaak van deze stoornis is meestal te veel spanning in de mond en keel tijdens spreken.
TAAL
Taal hoort als vanzelfsprekend bij de mens. We denken met behulp van taal. Door de taal zijn we met elkaar verbonden. Onze waarneming, ons geheugen, onze fantasie, ons wereldbeeld, alle zijn verbonden met taal. We hebben taal nodig voor het overbrengen van gevoelens en gedrag. De manier waarop sociale contacten verlopen, wordt beinvloed door de taal. De cultuuroverdracht vindt plaats via taal. Toch is de taalverwerving helemaal niet zo vanzelfsprekend. De taalverwerving is een speels en langdurig proces waarbij vanalles fout kan gaan. We spreken dan van een taalontwikkelingsstoornis of een afasie.De taalontwikkeling kan worden omschreven als het verwerven van inzicht in het hanteren van grammaticale regels (verbuigen, vervoegen van werkwoorden, woordvolgorde in de zin) en communicatieve regels (afspraken over taalinhoud en taalgebruik).
De taalontwikkeling komt tot stand in relatie met anderen; luisteren, samen ontdekken, imiteren. Een goede luisterhouding (dus ook een goed gehoor), een taalstimulerende omgeving en voldoende imitatief en creatief vermogen bij de kinderen zelf, vormen de basis voor een goede taalontwikkeling.
Bij een taalontwikkelingsstoornis ontwikkelt de taal zich langzamer of anders dan normaal, soms komt die helemaal niet op gang. Deze problemen kunnen zowel betrekking hebben op het woord- en zinsbegrip als op de woord- en zinsproductie. De taalontwikkeling hangt nauw samen met de spraakontwikkeling. Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis worden over het algemeen door de omgeving niet goed begrepen. Ook begrijpen zij niet altijd wat de omgeving van hen wil, ze begrijpen de opdracht niet. Dit alles kan weer tot gedragsproblemen leiden. Belangrijk is te achterhalen wat de oorzaak is van de taalontwikkelingsstoornis, toch is deze lang niet altijd te vinden. Binnen de logopedie zal geprobeerd worden de achterstand in de taalontwikkeling weg te werken, zodat het kind op het zelfde niveau komt als zijn leeftijdsgenoten.
Bij een afasie is er een stoornis in het taalfunctioneren opgetreden als gevolg van een hersenbeschadiging. Over het algemeen komt dit voor bij volwassenen, hoewel dit ook bij kinderen voor kan komen. Delen van onze taal functioneren niet meer als voorheen. Mensen kunnen bijvoorbeeld voorwerpen niet meer goed benoemen, kunnen geen goede zinnen meer vormen of begrijpen niet meer wat wij ze vertellen (het lijkt alsof de afasie patiënt een buitenlandse taal spreekt, of het lijkt voor de patiënt dat wij een buitenlandse taal spreken).
STEM
De stem van een ieder is heel uniek, we herkennen mensen vaak aan hun stem. Het maken van stemgeluid is eingelijk iets heel natuurlijks. Het eerste wat een pasgeborene doet is huilen, dus de stem laten horen!Het eigenlijke stemgeluid ontstaat in het strottehoofd, doordat de uitademingslucht langs de stemplooien stroomt en deze in trilling brengt. De stemplooien zitten in het strottehoofd achter de adamsappel. De lengte van de stemplooi varieert van 10-13 mm. bij vrouwen tot 15-18 mm. bij mannen. Hoe langer de stemplooien zijn hoe lager het geluid is. Door een verkeerde ademtechniek, lichaamshouding/ spanning en stemtechniek kunnen stemstoornissen ontstaan.
Een stemstoornis is een aandoening aan de stem of het stemapparaat met als gevolg een afwijkend stemgeluid. Voorbeelden van afwijkend stemgeluid zijn: een hese, schorre, overslaande of fluisterende stem; een te lage of te hoge stem; een te zachte of te luide stem. Ook kan het zijn dat door het spreken keelpijn of een vermoeidheidsgevoel ontstaat. Iedereen is wel een “hees”, maar wanneer deze heesheid langer dan 3 weken duurt, is nader onderzoek gewenst.
De KNO arts kan de stemplooien bekijken. De logopedist zal het stemgeluid en de stemproductie (hoe maakt iemand het stemgeluid) beoordelen. Hoe langer een stemstoornis bestaat, des te groter is het risico dat er organische afwijkingen zullen ontstaan aan de stemplooien, denk bijvoorbeeld aan stemplooiknobbeltjes of poliepen. Ook kunnen stemklachten ontstaan door medische redenen, denk aan bijvoorbeeld een stemplooiverlamming, beschadiging van de stemplooien door de beademingsbuis tijdens een operatie of een ongeluk, gezwellen in het strottehoofd.
Binnen de logopedie zal in kaart gebracht worden op welke manier iemand zijn stem gebruikt en belast en welke factoren invoed uitoefenen op de stem. Dan zullen er oefeningen gedaan worden om de juiste lichaamsspanning, de juiste ademtechniek en de juiste stemtechniek aan te leren en te leren toepassen. Meestal vergt dit veel tijd en energie. Men moet immers een geautomatiseerd spreekpatroon doorbreken en nieuw aanleren. Vergeet niet dat we gewend en vertrouwd geraakt zijn met ons eigen stemgeluid, hier nemen we maar moeilijk afscheid van.
HYPERVENTILATIE
Bij hyperventilatie is er net als bij veel stemstoornissen sprake van een verkeerde ademing. Hyperventilatie is eingelijk “te snel en te diep ademhalen”. Het geen echte ziekte, maar verkeerd aangeleerd gedrag. Hierdoor ontstaan klachten van heel verschillende aard. De ademhaling versnelt hoorbaar en kan niet meer onder contole gehouden worden. Het hart gaat sneller kloppen, men heeft het gevoel dat het hart een slag overslaat. Men gaat transpireren, wordt bleek en vooral BANG. De oorzaak van hyperventilatie moet vooral gezocht worden in psychische spanning (emoties, drukte, woede, verdriet, problemen).
Wat gebeurt er nou precies in het lichaam?
Als we normaal ademen, krijgen we zuurstof binnen (inademen) die door de longen aan het bloed wordt afgegeven. Het bloed vervoert die zuurstof naar de organen en spieren. De zuurstof is nodig voor de verbranding van voedingsstorffen. Bij dit proces komt de energie vrij die nodig is om te kunnen leven. Naast energie komt er echter ook koolzuur vrij. Deze wordt door het bloed weer naar de longen getransporteerd, om daar te worden afgegeven aan de buitenlucht (uitademen). Dit proces herhaalt zich bij ierdere ademing, gemiddeld 15 keer per minuut.
Bij hyperventilatie verliest het lichaam meer koolzuur dan het produceert. Er ontstaat in het lichaam een te kort aan koolzuur, dat een verandering in de zuurgraad van het bloed veroorzaakt. Die verandering kan leiden tot de voor hyperventilatie karakteristieke klachten.
Wat te doen bij een aanval van hyperventilatie?
Belangrijk is te bedenken dat er in principe niets ernstigs gebeurt. Het is noodzaak om het te kort aan koolzuur weer aan te vullen. Dit kan door de eigen uitgeademde lucht weer in te ademen. Neem bijvoorbeeld een groot plastic zakje (geen klein boterhamzakje) en houd dat rond de mond, er mag GEEN afsluiting zijn. Er mag een gaatje geknipt worden onderin het zakje. Ook een “kommetje” gemaakt van de handen kan al helpen. Op deze manier wordt het te kort aan koolzuur weer aangevuld en zullen de klachten verdwijnen.Voor patiënten met hyperventilatie zijn er verschillende therapie mogelijkheden. Er kan gedacht worden aan een psychotherapeutische behandeling om de oorzaak van de spanning weg te nemen. Daarnaast kan er ook gewerkt worden aan het aanleren van de juiste ademtechniek. Dit help aanvallen te controleren en te voorkomen . Een logopedist kan daarbij helpen.
GEHOOR
Een goed gehoor is een voorwaarde voor een goede spraaktaalontwikkeling. Een kind leert de spraak en taal immers door het luisteren naar zijn omgeving en door het imiteren van het voorbeeld dat zijn omgeving aanbiedt. Door het verminderde gehoor is het kind hiertoe onvoldoende in staat. In de spraak vallen dan vooral uitspraakproblemen op. In de taal kunnen woordenschat en zinsbouw zich minder goed ontwikkelen.
Er bestaat een duidelijk verschil tussen doof en slechthorendheid (definities van Moores).
Iemand is doof als het gehoor zodanig gestoord is, dat het verstaan van spraak via het gehoor, met of zonder gebruik van een hoorapparaat, onmogelijk is.
Iemand is slechthorend als het gehoor zodanig gestoord is, dat het verstaan van spraak via het gehoor, met of zonder hoorapparaat, moeilijk, maar niet onmogelijk is.
Ons oor is uit drie delen opgebouwd:
* het uitwendig oor = oorschelp en gehoorgang
* het middenoor = trommelvlies, gehoorbeentjes, de buis van Eustachius
* het binnenoor = slakkenhuis en gehoorzenuw.
Een middenoorontsteking (acuut of chronisch) is de belangrijkrijkste oorzaak voor slechthorendheid bij kinderen. Bij een middenoorontsteking zit er vocht in het middenoor. Meestal ontstaat dit ten gevolge van een verkoudheid. De buis van Eustachius speelt een zeer belangrijke rol bij de beluchting van het middenoor. Wanneer deze buis verstopt zit, wordt het middenoor onvoldoende belucht en komt er te weinig verse zuursof in het middenoor. De mate van gehoorverlies wordt bepaald door de hoeveelheid vocht dat in het middenoor zit. Soms worden er buisjes geplaatst om het vocht uit het oor te kunnen laten lopen.
AFWIJKEND MONDGEDRAG
Onder afwijkend mondgedag wordt verstaan:
- duim- en vingerzuigen;
- mondademen;
- infantiel slikken (slikken met de tong tussen de tanden)
Uit onderzoek blijkt dat 60 % van de kinderen in de leeftijd tot zeven jaar, één of meer afwijkende mondgewoonten vertoont. Deze verkeerde mondgewoonten kunnen een negatief effect hebben op de ontwikkeling van de kaken en het gebit, de hersenfunctie en de spraaktaalontwikkeling.
De tong ligt slap op de mondbodem in plaats van aangezogen aan het gehemelte. Hierdoor ontstaan spraakproblemen en afwijkende gebitsstanden. Daarnaast heeft het ademen door de mond tot gevolg dat de ademhaling meer oppervlakkig blijft, waardoor er minder zuurstof opgenomen wordt. Dit betekent dat er ook minder zuurstof in de hersenen komt, wat gevolgen heeft voor de allertheid, concentratie en geheugen (dus ook op de ontwikkeling van de intelligentie). Maar ook wordt er minder vaak geslikt ten gevolge van de mondademhaling. Hierdoor wordt het middenoor niet vaak genoeg belucht en ontstaat er gemakkelijk een middenoorontsteking. Dit heeft weer gevolgen voor de hele spraaktaalontwikkeling.
VOEDINGSPROBLEMEN/ PRÉVERBALE LOGOPEDIE
Eten en drinken zijn de basale functies in het leven. Bij volwassenen kunnen deze functies verstoord raken door bijvoorbeeld een beroerte of andere neurologische problemen. Het gevolg is dan dat mensen zich vaker verslikken, moeilijk kunnen kauwen of nauwelijks kunnen slikken. De logopedist kan dan eventueel hulp bieden. De laatste jaren komt er steeds meer aandacht voor de begeleiding van baby's en jonge kinderen met eet- en drinkproblemen en hun ouders. Man kan hierbij denken aan kinderen die door vroeggeboorte, anatomische of motorische problemen in het mondgebied, langdurige sondevoeding of door lichamelijke aandoeningen eet- en drinkproblemen hebben. De pré-logopedist is gespecialiseerd in deze problematiek. De wijze waarop het kind gevoed wordt en voeding tot zich probeert te nemen wordt geanalyseerd. Samen met de ouders wordt dan bekeken welke voeding het meest geschikt is om aan te bieden en op welke manier dat het beste gedaan kan worden.





